•  NL 

Ik voel me een verbindingsofficier

Print 
09 mei 2018

 

Per 1 februari jl. werd professor Gerda Croiset benoemd tot prodecaan Onderwijs en Opleiding in het UMCG. Ze is onder meer verantwoordelijk voor de studie Geneeskunde en de ondersteuning van de medisch specialistische vervolgopleidingen. Ze is uit hoofde van haar functie ook voorzitter van het bestuurlijk overleg van de OOR. Het bestuurlijk overleg behandelt thema's als capaciteitsplanning en financiering. Professor Croiset was hiervoor directeur van de VUmc School of Medical Sciences.

U bent bioloog en arts?

‘Dat klopt. Ik ben in Utrecht opgeleid als bioloog, daar ben ik toen ook gepromoveerd in de neurowetenschappen. Ik werkte daarbij nauw samen met allerlei disciplines, waaronder artsen van de afdeling Kindergeneeskunde. Ik merkte dat artsen een ander denkkader hebben. Ik besloot: als ik echt verder wil, moet ik nog geneeskunde gaan studeren. Dat was stevig, naast mijn werk als post doc maar ook ontzettend leuk. Zo leuk dat ik niet alleen mijn doctoraal gedaan heb maar ook mijn artsexamen. Ik heb nooit als arts gewerkt maar ik ben nog steeds geregistreerd. Ik vind het belangrijk om dat bij te houden.’

En toen onderwijs?

‘Bij de fusie tussen het AZU, de medische faculteit en het Wilhelmina-kinderziekenhuis is McKinsey in huis gehaald om die fusie te begeleiden. McKinsey had 10 mensen nodig om mee te denken over de nieuwe missie, visie en strategie. Ik was een van die 10. Een uitermate boeiend en leerzaam traject van een jaar waardoor ik ook bestuurlijke interesse kreeg. En niet lang daarna kreeg ik de kans om twee master-opleidingen te ontwikkelen: Neuroscience & Cognition  en de vierjarig opleiding tot basisarts en klinisch onderzoeker. Dat is de SUMMA geworden. SUMMA biedt naast medische theorie en praktijk daarom ook een stevige onderzoekscomponent. Na de master ben je basisarts én klinisch onderzoeker. Dat bleek een succesnummer! Maar ik merkte wel dat ik steeds minder tijd kreeg voor mijn eigen neuro-onderzoek. Ik heb toen besloten om de focus van mijn onderzoek te verleggen van neurowetenschappen naar onderwijs. In 2006 werd ik benoemd tot hoogleraar op het gebied van het medisch onderwijs en in 2009 werd ik directeur van de VUmc-school of Medical Sciences. Daar hoorde de geneeskunde-opleiding bij maar bijvoorbeeld ook de ondersteuning van de medisch specialistische vervolgopleidingen.’

En nu Groningen, Noord- en Oost-Nederland?

‘Ik was adviseur van de commissie Innovatieve zorgberoepen en –opleidingen. Deze commissie schreef onder leiding van Marian Kaljouw het rapport 'Naar nieuwe zorg en zorgberoepen: de contouren'. Daarin beschrijft de commissie de transitie van nauw afgebakende afzonderlijke zorgorganisaties naar netwerkorganisaties. Dat is de toekomst. We moeten dus nadenken over wat artsen gaan tegenkomen. Hoe gaan we dat in het onderwijs en de opleiding regelen? Zo tegen 2030 is de vergrijzing op zijn top. Wij moeten voor die tijd de goede artsen opgeleid hebben.

In de Randstad is het heel moeilijk om dergelijke innovaties te ontwikkelen. Je moet met veel verschillende partijen in gesprek die vaak ook nog eens verschillende belangen hebben. Hier hebben we één universitair medisch centrum met een groep sterke ziekenhuizen eromheen, waaronder STZ-ziekenhuizen en goede perifere opleidingsziekenhuizen. En er zijn maar 2 grote verzekeraars. Er is hier dus veel mogelijk. Akkoord, ik ben hier nog maar kort aan het werk maar ik vind de samenwerking heel goed. Bijvoorbeeld het regiofonds: dat is een krachtig instrument om die samenwerking te ondersteunen en nieuwe initiatieven te omarmen.

Net zoals de discussie rond de regiovisie ten aanzien van de opleiding van medisch specialisten. Je ziet nu al dat de zorgvraag verandert en het UMCG zich steeds meer specialiseert. Dat heeft consequenties voor de zorg maar ook voor de opleiding. Met elkaar zijn we verantwoordelijk voor de zorg van morgen. Hier in de regio kunnen we het verschil maken. Ik zie het heel duidelijk voor me dat we dat met elkaar in de regio doen. We gaan nadenken: wat is er nodig en wie doet hier wat? Ik doe nu een rondje langs de ziekenhuizen en ik merk dat men er zeker voor open staat; ik voel me daarin een verbindingsofficier. Laten we elkaar versterken.’

Welke veranderingen ziet u in de opleiding?

‘Net als andere zorgprofessionals moet de medisch specialist meer in netwerken werken. Als professional ben je steeds onderdeel van een netwerk maar dat netwerk is voor elke patiënt anders. Wat je nodig hebt, zijn dus kwaliteiten als flexibiliteit en organisatiesensitiviteit. In mijn onderzoek naar het leren van professionals zie ik dat  co-assistenten en verpleegkundigen-in-opleiding aannames doen over elkaars werk die totaal niet kloppen. Ze hebben vaak een totaal verkeerd beeld van elkaars werk. We moeten daar meer aandacht aan besteden in de opleiding.

Een ander aandachtspunt is hoe we ervoor zorgen dat de transities van aios naar jonge klare beter verloopt. We zien dat veel jonge klaren het ronduit moeilijk hebben. Wat maakt het zo zwaar? Debbie Jaarsma doet daar met haar onderzoeksgroep LEARN onderzoek naar. Het zit ‘m in elk geval niet in het medisch inhoudelijke. Het zit ‘m onder meer in interactie. Je moet persoonlijk leiderschap tonen en leiding geven aan anderen: kwaliteiten die je moet ontwikkelen. Als je klaar bent, ben je niet klaar. Het is levenslang leren. Niet alleen vakinhoudelijk overigens. Ik denk ook aan opleiding op het gebied van health economics en policy. Artsen spelen een belangrijke rol in dergelijke ontwikkelingen. We moeten met elkaar de troepen aanvoeren. We moeten met elkaar blijven nadenken over de zorg van morgen, over onze verantwoordelijkheid.’

 Praktisch